top of page

Gevolgen nieuwe box 3 plannen voor ondernemers

30 sep
12 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 7 okt

Nieuwe box 3 plannen: wat verandert er voor ondernemers?


De nieuwe belastingplannen kunnen je privévermogen zwaarder belasten en een forse rekening opleveren als je geld hebt geleend van je eigen BV. Het kabinet wil de box 3-vrijstellingen verlagen, de grens voor excessief lenen terugbrengen van €500.000 naar €100.000 en het forfait voor overige bezittingen in 2027 verhogen met 1,5 procentpunt. Wie €400.000 moet aflossen met dividend, kan daarbij onder de hieronder beschreven voorwaarden bijna €130.000 box 2-belasting kwijt zijn.


Je hebt gewerkt, winst gemaakt en vermogen opgebouwd. Nu verandert Den Haag opnieuw de rekening. Dat maakt het hoog tijd om uit te rekenen wat je privé houdt, wat in je BV blijft en hoeveel geld je de komende jaren werkelijk beschikbaar hebt.


Dit artikel rekent de voorstellen uit de Kamerbrief van 29 september 2026 door. Op de peildatum zijn dit voorstellen, geen aangenomen nieuwe regels. En laat de gevolgen van de nieuwe box 3 plannen zien voor ondernemers.


Wat wil het kabinet veranderen in box 2 en box 3


De veranderingen komen op verschillende momenten. In 2027 wil het kabinet de vermogensvrijstelling in box 3 terugbrengen naar €30.846 per persoon. Vanaf 2028 moet een vrijstelling van €1.000 resultaat gelden. Voor financiële instrumenten wil het kabinet vanaf dat jaar de waardeontwikkeling bij realisatie belasten.


Voor DGA’s staat daar een andere ingreep naast: vanaf 2027 vijf jaarlijkse verlagingen van €80.000 van de grens voor excessief lenen. In 2031 resteert €100.000. Het hoge box 2-tarief moet in 2027 tot en met 2030 tijdelijk dalen van 31% naar 29,2%. De lage schijf van 24,5% wordt in deze brief niet verlaagd.


Een tijdelijke korting op grote dividenduitkeringen voorkomt dus niet dat je méér moet uitkeren om een lening terug te brengen. Je moet de veranderingen samen bekijken.


In 2027 verandert eerst de vermogensvrijstelling


In 2026 bedraagt de box 3-vermogensvrijstelling €59.357 per persoon, of €118.714 voor fiscale partners. Het kabinet wil deze vrijstelling in 2027 terugbrengen naar €30.846 per persoon. Daardoor kan een groter deel van je vermogen in de heffing komen. De actuele bedragen staan bij de Belastingdienst over heffingsvrij vermogen.

Voor 2027 blijft volgens het plan het forfaitaire stelsel gelden, inclusief de mogelijkheid van tegenbewijs bij een lager werkelijk rendement. Ook wil het kabinet het forfait voor overige bezittingen, waaronder aandelen, obligaties, crypto en vastgoed, in 2027 verhogen met 1,5 procentpunt. De €1.000 vrijgesteld resultaat hoort bij het nieuwe stelsel vanaf 2028.

Lees over belastingverhogingen via een veranderende grondslag ook hoe de overheid je meer laat betalen zonder een tarief te verhogen.


Box 3 vanaf 2028 al belasting boven €1.000 resultaat


Vanaf 2028 wil het kabinet een heffingsvrij resultaat van €1.000. Die €1.000 wordt afgetrokken van het rendement vóórdat je de belasting berekent. Het is dus geen korting van €1.000 op de belastingaanslag. Bij 36% levert €1.000 vrijgesteld rendement maximaal €360 belastingvoordeel op. Voor een spaarder met 2% rente correspondeert dit met €50.000 spaargeld. Bij 4% rente is dat €25.000. Hetzelfde bedrag aan vermogen kan dus door een andere rente eerder belasting opleveren.


Voorbeeld €100.000 beleggingen in 2026 2027 en 2028


Je hebt ieder jaar op de peildatum €100.000 aan beleggingen en behaalt telkens €6.000 werkelijk rendement. Je hebt geen fiscale partner, schulden, andere box 3-bezittingen, aftrekbare kosten of verrekenbare verliezen. Voor 2028 nemen we aan dat de volledige €6.000 volgens het nieuwe stelsel belastbaar is vóór de resultaatvrijstelling, bijvoorbeeld als dividend en gerealiseerde koerswinst. We vergelijken drie afzonderlijke jaren met dezelfde uitgangspositie; het vermogen groeit in deze vergelijking niet mee.


Vergelijking van box 3-belasting op €100.000 beleggingen in 2026, 2027 en 2028, op basis van voorlopige voorstellen.

In dit voorbeeld verdubbelt de belasting ruimschoots ten opzichte van 2026. In 2027 betaal je €1.081,38 extra. In 2028 daalt de rekening €159,27 tegenover 2027, maar betaal je nog steeds €922,11 meer dan in 2026. Van dezelfde €6.000 rendement blijft na belasting respectievelijk €5.122,11, €4.040,73 en €4.200 over.

De berekeningen zijn:

·       2026: (€100.000 − €59.357) × 6% × 36% = €877,89.

·       2027: (€100.000 − €30.846) × 7,87% × 36% = €1.959,27.

·       2028: (€6.000 − €1.000) × 36% = €1.800.


Forfait voor 2027: FiscAlert meldt op 3 september 2026 dat de Belastingdienst voor overige bezittingen in 2027 uitgaat van 6,37%. Met de voorgestelde opslag uit de Kamerbrief wordt de optelsom 6,37% + 1,5 procentpunt = 7,87%. De tabel rekent hiermee als de opslag wordt aangenomen. De cijfers voor 2026 volgen de berekening van de Belastingdienst.

De eerder genoemde 7,78% hoorde bij het oorspronkelijke Belastingplan 2026 en is via een amendement teruggedraaid. Dat is dus niet het juiste percentage voor deze nieuwe optelsom. Ook 6,38% + 1,5 procentpunt zou geen 7,78% zijn, maar 7,88%.

De tegenbewijsregeling verandert deze uitkomst voor 2026 en 2027 niet: bij €6.000 werkelijk rendement is de belasting via tegenbewijs, zonder vermogensvrijstelling, €2.160. Dat is hoger dan beide forfaitaire uitkomsten.


De €1.000 in 2028 is vrijgesteld resultaat, geen belastingkorting. De belasting bedraagt dus (€6.000 − €1.000) × 36% = €1.800. Onder het eerdere voorstel met €1.800 vrijgesteld resultaat zou dit €1.512 zijn. Alleen die verlaging kost €288 extra belasting per jaar. Het wettelijke tarief over het belastbare deel blijft 36%; de heffing van €1.800 is 30% van het totale resultaat van €6.000.


Bij aandelen is voor 2028 van belang of de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Een portefeuille die alleen op papier €6.000 meer waard wordt, levert bij de aangekondigde vermogenswinstbelasting niet automatisch een aanslag van €1.800 op. Daarom gaat deze tabel expliciet uit van €6.000 belastbaar resultaat in 2028.


Voorbeeld €100.000 spaargeld met 2% rente


Je ontvangt €2.000 rente. Bij €1.000 vrijgesteld resultaat resteert €1.000 belastbaar resultaat. Tegen 36% is de belasting €360. Van je €2.000 rente houd je €1.640 over, vóór inflatie.

Het eerdere voorstel kende €1.800 vrijgesteld resultaat. Onder die vrijstelling zou de belasting bij dezelfde rente €72 zijn. De verlaging kost in dit voorbeeld €288 extra per jaar.


Vergelijking van box 3-belasting bij €1.800 en €1.000 resultaatvrijstelling, met de extra heffing per rendementsniveau.

Rekenbasis: één belastingplichtige, 36% tarief, geen verrekenbare verliezen of andere correcties. Dit vergelijkt twee vrijstellingen binnen het voorgestelde toekomstige stelsel; het is geen vergelijking met de huidige aanslag van 2026. Zodra het resultaat boven €1.800 ligt, kost de verlaging op zichzelf €800 × 36% = €288 per persoon per jaar. Een hogere portefeuille betekent daardoor niet automatisch een grotere meerheffing door alleen deze vrijstellingsverlaging.


Voor financiële instrumenten wil het kabinet de waardewinst vanaf 2028 bij realisatie belasten. Een koersstijging zonder verkoop is daardoor niet hetzelfde als direct belastbare verkoopwinst. Rente en dividend blijven wel inkomsten uit vermogen. Dit onderscheid is belangrijk als je wilt weten wanneer je geld voor de aanslag nodig hebt.

Mijn eerdere artikel Box 3 geparkeerd beschrijft de situatie begin september. De Kamerbrief van 29 september brengt een nieuwe voorgenomen route. Gebruik bij een beslissing dus de actuele plannen en blijf onderscheid maken tussen een voorstel en geldende wetgeving.


Het Nederlandse tarief van 36 procent is ruim het dubbele van het EU gemiddelde


Volgens Tax Foundation in de Europese vergelijking voor 2026 bedraagt het gemiddelde tarief in de EU 17,7%. Nederland staat met 36% tweede binnen de EU; alleen Denemarken staat hoger. 36 gedeeld door 17,7 is 2,03: ruim het dubbele.


Deze vergelijking gaat over de hoogste tarieven op lang aangehouden beursgenoteerde aandelen voor particuliere beleggers zonder aanmerkelijk belang. Het is geen gemiddelde belasting op de waarde van al het vermogen. De huidige Nederlandse forfaitaire heffing werkt bovendien anders dan een buitenlandse belasting op verkoopwinst. Het tariefverschil is duidelijk; de uiteindelijke rekening hangt ook af van grondslag, vrijstellingen en het moment van heffen.


Neem uitsluitend ter illustratie €10.000 belastbare winst met dezelfde grondslag. Tegen 36% is de heffing €3.600. Tegen 17,7% is dat €1.770. Het verschil is €1.830. Dit is een tariefillustratie, geen concrete buitenlandse aanslag.

Voor een ondernemer die zelfstandig vermogen opbouwt voor later, is zo’n tarief geen klein detail. Iedere euro belasting kan niet meer voor je blijven renderen.


Excessief lenen van €500.000 naar €100.000


Op dit moment bedraagt de algemene grens voor excessief lenen €500.000 voor jou en je fiscale partner samen. Schulden aan verschillende eigen BV’s worden opgeteld. Een kwalificerende eigenwoningschuld kan onder voorwaarden buiten de grens blijven. Een lening voor een beleggingspand of vakantiewoning is daarmee niet automatisch uitgezonderd.

De Kamerbrief stelt deze afbouw voor:


Voorgestelde afbouw van de grens voor excessief lenen van €500.000 naar €100.000 tussen 2026 en 2031.

Dit schema volgt uit vijf stappen van €80.000 vanaf 2027. Het gaat uit van een schuld van €500.000, zonder eigenwoninguitzondering, zonder eerdere verhoging van je persoonlijke drempel door al belaste bovenmatige schulden en zonder nieuwe opnames of bijgeschreven rente.


Een bestaande, zakelijke lening die onder de huidige grens blijft, kan door de verlaging alsnog een box 2-aanslag opleveren. Je hoeft daarvoor geen nieuwe euro te lenen.


Bijna €130.000 belasting om €400.000 af te lossen


Stel dat je €500.000 hebt geleend van je eigen BV en de schuld ieder jaar met €80.000 terugbrengt. Het geld om af te lossen haal je uit de BV als dividend. Je hebt een fiscale partner en voldoende vrije ruimte in jullie lage box 2-schijven. Er is geen ander box 2-inkomen dat die ruimte gebruikt.


Om €80.000 netto over te houden tegen 24,5% box 2-belasting, moet de BV €105.960,26 bruto dividend uitkeren. Daarover betaal je €25.960,26 belasting. Het resterende bedrag gebruik je voor de aflossing.


Bruto dividend en box 2-belasting om met een fiscale partner €400.000 af te lossen, met voldoende beschikbare lage schijven.

Die bijna €130.000 geldt in dit voorbeeld mét fiscale partner en voldoende vrije ruimte in beide lage box 2-schijven. Zonder partner is de lage schijf te klein om de benodigde jaarlijkse dividenduitkering volledig tegen 24,5% te belasten. Je betaalt dan over een deel het hoge tarief en hebt méér bruto dividend nodig om dezelfde €400.000 netto af te lossen. De totale box 2-belasting valt daardoor hoger uit.


Daar komt de bijna €130.000 vandaan. Het is de box 2-heffing op dividend dat nodig is voor de aflossing. Het is geen nieuwe afzonderlijke belasting van €130.000 op de lening zelf. Het gaat om dividend uit al beschikbare reserves na vennootschapsbelasting; eventuele eerdere vennootschapsbelasting is niet in deze tabel opgenomen. Totalen zijn berekend vóór afronding van jaarbedragen.


Ook de 15% dividendbelasting die de BV doorgaans inhoudt, komt niet nog eens bovenop box 2: het is een verrekenbare voorheffing. Rente op de lening, andere inkomsten en mogelijke gevolgen voor heffingskortingen zitten niet in dit voorbeeld.


De voorgestelde tijdelijke verlaging van de hoge schijf naar 29,2% in 2027 tot en met 2030 helpt in dit partnerprofiel niet: de jaarlijkse uitkering valt volledig in de lage schijf. Zonder partner betaal je over het deel boven de lage schijf ook bij die korting méér dan 24,5%. Ook mét partner kan de rekening hoger uitvallen als ander box 2-inkomen de lage schijven al gebruikt. Bovendien duurt de korting vier jaar, terwijl de afbouw vijf jaar duurt: voor de laatste aflossing in 2031 moet volgens de aangekondigde route weer met 31% in de hoge schijf worden gerekend.


Zonder fiscale partner circa €143.000 belasting


Zonder fiscale partner heb je één lage box 2-schijf. De gecorrigeerde fiscale sleuteltabel voor 2027 noemt €69.703 als schijfgrens. Voor deze vergelijking houden we die grens in alle vijf jaren gelijk; latere indexatie en wijzigingen zijn nog niet bekend. We rekenen met 24,5% in de lage schijf, de voorgestelde 29,2% in de hoge schijf in 2027 tot en met 2030 en 31% in 2031. Er is geen ander box 2-inkomen.


Bruto dividend en box 2-belasting om zonder fiscale partner €400.000 af te lossen, volgens de voorlopige tariefaannames.

Dezelfde €400.000 aflossen kost zonder partner in dit voorbeeld €142.844,50 belasting: €13.043,17 méér dan met partner. Om jaarlijks €80.000 netto over te houden, moet je ook de belasting over het extra dividend financieren. Daardoor is het bedrag in de hoge schijf groter dan het verschil tussen €105.960 bruto dividend uit het partnervoorbeeld en de lage schijfgrens.


De berekening begint bij de netto opbrengst van de lage schijf: €69.703 × 75,5% = €52.625,77. Er is nog €27.374,24 netto nodig. Bij 29,2% belasting vraagt dat €27.374,235 ÷ 70,8% = €38.664,17 extra bruto dividend. In 2031 is bij 31% daarvoor €39.672,80 nodig. Alle totalen zijn berekend vóór afronding. Stijgt de lage schijfgrens in latere jaren, dan kan de rekening lager uitvallen; ander box 2-inkomen kan haar juist verhogen.


Wat gebeurt er als je de lening laat staan


Je bent niet door deze belastingregel verplicht de schuld af te lossen. Als je de lening van €500.000 laat staan, kan bij een lagere grens een fictief regulier voordeel in box 2 ontstaan. De schuld verdwijnt daarmee niet: je blijft rente en aflossing verschuldigd aan de BV.


Bij behoud van de huidige drempelmechaniek zou in het eenvoudige voorbeeld jaarlijks €80.000 nieuw bovenmatig worden. Tegen uitsluitend 24,5% is dat €19.600 belasting per jaar, of €98.000 over vijf jaar. Dat is een andere route dan €129.801 betalen op dividend voor aflossing. De toekomstige wettelijke uitwerking, eerdere heffingen en je overige box 2-inkomen bepalen de precieze aanslag.


Je betaalt in deze route belasting zonder dat je nieuw geld ontvangt. Het geld om de aanslag te betalen moet ergens vandaan komen. Financier je ook dát met dividend, dan ontstaat een aanvullende heffing. Daarom hoort de liquiditeit in dezelfde berekening als de belasting.


De huidige werking, inclusief het persoonlijke maximumbedrag en mogelijke verrekening bij latere aflossing, staat bij de Belastingdienst over excessief lenen. Meer over de keuzes lees je in geld uit je BV halen door lenen of dividend.


Wordt overstappen naar een BV nu aantrekkelijker


Een zwaardere box 3-rekening maakt het belangrijker om te onderzoeken waar je vermogen groeit. Winst die je in de BV houdt, komt niet als privévermogen in box 3 terecht. Vooral als je structureel méér verdient dan je privé nodig hebt, verdient deze route een serieuze berekening.


Dat betekent niet dat geld in een BV belastingvrij groeit. De BV betaalt vennootschapsbelasting over belastbare winst en beleggingsopbrengsten. Bij uitkering aan jou volgt box 2. Tegen de lage tarieven van 2026 is de gecombineerde heffing 19% + 81% × 24,5% = 38,845%, als beide lage schijven van toepassing zijn. Op salaris gelden weer de box 1-regels.


Het voordeel zit dus in jouw combinatie van winst, privébehoefte, tijd tot uitkering en vermogensopbouw. Ook het gebruikelijk loon, de kosten van een BV en pensioenruimte moeten mee. Bestaand privévermogen inbrengen in een BV is bovendien een andere beslissing dan nieuwe ondernemingswinst in de BV laten staan. De inbreng, toekomstige uitkeringen en eventuele belasting bij overdracht van bezittingen moeten afzonderlijk worden doorgerekend.


Met de BV-calculator voor eenmanszaak en BV krijg je een eerste vergelijking met de tarieven van 2026. De calculator rekent deze nieuwe 2027- en 2028-plannen of het overhevelen van een privéportefeuille niet automatisch door.


Bescherm je inkomen en vermogen met een concreet plan


Een aanslag afwachten is een dure manier om te ontdekken dat je financiële inrichting niet meer past. Zeker als je geld aan je eigen BV verschuldigd bent, veel privévermogen hebt of ieder jaar winst overhoudt die je niet nodig hebt om van te leven.


Ik help ondernemers hun inkomen, BV, pensioen en vermogen in samenhang door te rekenen. Met 25 jaar ervaring in finance en 18 jaar ondernemerschap maak ik zichtbaar welke keuzes meer opleveren, wat je privé beschikbaar moet houden en welke acties passen bij het moment waarop je minder wilt werken.


Plan een kennismaking met Maarten Wolfs. We bespreken je winst, privévermogen en eventuele schuld aan je BV en stellen vast welke vragen in jouw situatie moeten worden doorgerekend. In het Vermogensplan werk ik die scenario’s vervolgens uit tot een

voorkeursroute en concrete acties.


Wil je eerst zien waar je mogelijk geld laat liggen? Doe de Bespaarcheck. Gebruik de uitslag als aanleiding om je eigen cijfers op tafel te leggen. De plannen veranderen; jouw financiële vrijheid verdient een bewuste koers.


Cartoon waarin een gemaskerde overheid via box 2 en box 3 geld uit een BV en privévermogen grijpt, terwijl een ondernemer verbijsterd toekijkt.

Veelgestelde vragen over de nieuwe box 3 plannen (FAQ)


Zijn de wijzigingen al aangenomen


Nee. Dit artikel is gebaseerd op de Kamerbrief van 29 september 2026 en de geldende regels op 30 september 2026. De voorstellen moeten nog in wetgeving worden uitgewerkt en parlementair worden behandeld. Controleer de status voordat je op een voorgestelde ingangsdatum handelt.


Is de €1.000 een korting op mijn belastingaanslag


Nee. De €1.000 is vrijgesteld resultaat en wordt vóór de belastingberekening van het rendement afgetrokken. Bij €6.000 belastbaar resultaat vóór vrijstelling is de belasting (€6.000 − €1.000) × 36% = €1.800. Het belastingvoordeel van de vrijstelling is maximaal €360, niet €1.000.


Ga ik vanaf 2028 over al mijn vermogen 36 procent betalen


Nee. Het tarief ziet op het belastbare resultaat volgens het stelsel, niet op de volledige waarde van je vermogen. Bij €100.000 spaargeld, 2% rente en €1.000 resultaatvrijstelling is de voorbeeldheffing €360, geen €36.000.


Is 36 procent echt het dubbele van het Europese gemiddelde


Volgens Tax Foundation is het EU-gemiddelde in de specifieke vergelijking voor lang aangehouden beursgenoteerde aandelen 17,7%. Het Nederlandse tarief van 36% is ruim tweemaal dat gemiddelde. Voor de bredere groep onderzochte Europese landen noemt de bron 16,7%; gebruik die twee gemiddelden niet door elkaar.


Moet iedere DGA met €500.000 schuld bijna €130.000 betalen


Nee. De €129.801 hoort bij het voorbeeld waarin €400.000 wordt afgelost met dividend dat volledig tegen 24,5% wordt belast. Heb je privé geld voor aflossing, herfinancier je extern of laat je de schuld bestaan, dan ontstaat een andere rekening. Ook de eigenwoninguitzondering en eerder belaste schulden veranderen de uitkomst.


Verdubbelt de leengrens als ik een fiscale partner heb


Nee. De algemene grens geldt voor jou en je fiscale partner samen. Een partner kan wel extra ruimte in de lage box 2-schijf bieden door een toegestane verdeling van box 2-inkomen. Dat is iets anders dan een dubbele leengrens.


Kan ik de lening splitsen over meerdere BV’s


Schulden aan meerdere eigen BV’s worden voor excessief lenen opgeteld. Splitsen levert daardoor geen extra algemene leenvrijstelling op. Voor een goede vergelijking moet je het gezamenlijke schuldenoverzicht gebruiken.


Valt mijn hypotheek bij mijn BV ook onder de lagere grens


Een kwalificerende eigenwoningschuld kan buiten de grens blijven. Daarvoor gelden voorwaarden, waaronder in bepaalde gevallen een hypotheekrecht ten gunste van de BV. Alleen het feit dat een lening op je woning is gezekerd maakt haar nog geen uitgezonderde eigenwoningschuld.


Moet ik nu meteen dividend uitkeren of naar een BV overstappen


Laat eerst de scenario’s met jouw cijfers vergelijken. Een uitkering kan belasting vervroegen en privévermogen verhogen; een BV voegt eigen verplichtingen en kosten toe. Begin met de Bespaarcheck of de BV-calculator en plan een kennismaking wanneer je een concrete beslissing moet nemen.


Meer antwoorden vind je op de FAQ over vermogensadvies voor ondernemers.


Bronnen en rekenverantwoording


De voorgestelde wijzigingen en het tijdpad komen uit de Kamerbrief van 29 september 2026, document 2026D47255, Kamerstuk 37 020 nr. 62. De bedragen voor 2026 komen van de Belastingdienst. De Europese tariefvergelijking komt van Tax Foundation, gepubliceerd 9 maart 2026. Voorbeelden zijn eigen berekeningen, geen klantcases; bedragen worden op centen afgerond en modelvoorwaarden staan bij het voorbeeld.


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page